Droge voeten

de droogmaking van de Nieucoopse polder

Ruim 100 jaar twijfel

Al in de 17de eeuw wist men dat er meer grond moest komen. Dat kon alleen maar gemaakt worden door het vele water rond Nieuwkoop, Zevenhoven en Nieuwveen weg te pompen.

Een kaart van ’t Hoogen Heemraetschap van den Landen van Woerden,
van omstreeks de periode van de eerste plannen voor droogmaking
van de plas bij Niecoop.

Al in 1678 schreef inspecteur Adriaen van der Laan dat de waterplas bij Nieucoop droog gemaakt moest worden. Het zou namelijk zorgen voor 3.600 morgen (ongeveer 1.5 hectare) vruchtbaar land. De kosten waren wel hoog, maar Adriaen geloofde dat deze snel terugverdiend konden worden. Het hoogheemraadschap van Rijnland zag echter niets in zijn idee.

Na een storm in 1703, waarbij veel land was weggespoeld en de kaden van de Aarlanderveense dijk door de hoge golven van de poel werden bedreigd, vroegen een curator, een ambachtsheer, een schout en ambachtsbewaarders octrooi (patent) tot droogmaking aan. Ze wilden binnen 7 jaar de ringdijk en ringsloot droog maken. Ook toen betaalde men belasting. Deze heren wilden het droogmaken regelen als zij daarna 45 jaar geen belasting hoefden te betalen. Na veel gesprekken werd het octrooi in 1708 verleend. Maar in plaats van 45 jaar hoefden zij 20 jaar geen belasting te betalen. Dat vonden zij geen goede afspraak dus hun plan ging niet door.

De in 1742 door de landmeter L. Kraakhorst getekende kaart met het ontwerp
van de droogmaking.

In 1749 begon het hoogheemraadschap over droogmaking van de plas. Het duurde tot 1769 voordat nieuwe plannen voor droogmaking gemaakt werden. Haarlem hielp een handje, maar wilde alleen de Sevenhovense Plassen droogmaken. In januari 1769 kwam het octrooi tot droogmaking er, maar men vond het toch weer te duur.

Drie jaar later kwam de burgemeester van Haarlem met het idee om de Groote Nieucoopse Poel droog te maken. De ambachtsbestuurders van Nieucoop, Zevenhoven, Nieuwveen, Korteraar, Vrijenhoeven en Aarlanderveen kwamen bij elkaar in het rechthuis van Nieuwveen. Het plan en de kosten werden voorgelezen. Drie weken later vergaderden de bestuurders in het rechthuis van Nieuwkoop. De Aarlanderveense schout Cornelis Clant kreeg de opdracht het plan op papier te zetten dat hij in 1773 aan het hoogheemraadschap gaf.

Een gulden die gebruikt werd tussen 1712 en 1794.
(Foto: uCoin.net)

Waterwolf

Maar de overheid was vooral bang voor de waterwolf. Er was zoveel water rond Nieucoop dat het gevaar tot overstroming erg groot was.
Door de plas droog te maken werd het een stuk veiliger in Nieucoop. Maar ook de overheid vond het droogmaakplan te duur.

Uiteindelijk koos de Staten van Holland op 18 januari 1787 ervoor om een commissie te maken. Deze moest onderzoeken hoe de 4.285 hectare waterplas tussen Aarlanderveen, Nieucoop, Sevenhoven, Nieuveen en Ter Aar droog gemaakt kon worden.

De provincie gaf pas op 29 december 1796 toestemming tot het droogmaken van de Nieucoopse en Sevenhovense Plassen. De overheid betaalde de kosten. Er werd een commissie samengesteld die in 1798 weer werd vervangen. Maar directeur-opzichter was al die tijd Christiaan Brunings Junior.


De droogmaking

Landmeters maakten kaarten waarop zij een ringdijk, een ringvaart en molens en molengangen tekenden. Voor de Nieucoopse droogmakerij tekenden de landmeters Klaas Vis, Jan Swidzer en Jan Blanken de kaart. In 1797 startte de bouw van de molens.

De kaart met het plan voor plaatsing van de watermolens die al in 1788 getekend werd.

Voor de ringdijk kon worden gebouwd, moest de ondergrond klaar gemaakt worden. Het veen hierin werd weg gebaggerd, zodat de ringdijk het water niet zou doorlaten of zou verschuiven. Als het baggeren klaar was, werd in de sleuf aarde gestort. Hierop kwam de dijk. De aanleg van de ringdijk startte in 1799. Er was zoveel grond voor de dijk nodig dat veel grond in de buurt werd gekocht om voldoende aarde te hebben.

Arbeiders baggeren veenslijk weg voor de aanleg van de ringsloot.

Buiten de ringdijk om werd een ringsloot gegraven. Andere sloten moesten juist dicht worden gemaakt. Ook werden molengangen gebouwd.

Een schepradmolen.
Een vijzelmolen.

In die periode werd de watermolen met scheprad (zie foto) gebruikt voor het weg malen van het water. Die was echter erg duur. Daarom koos de commissie voor watermolens die de Nieucoopse Plassen moesten droog maken. Er werden vijf molengangen gebouwd. Elke gang kreeg vier watermolens.

In die tijd vond een nieuwe watermolen uit. Een vijzelmolen. De commissie gebruikte deze molens voor de Sevenhovense droogmakerij. De vijzelmolen kon het water twee keer zo hoog opvoeren zonder krachtverlies. Daardoor waren in plaats van veertig molens maar 26 molens nodig.

Ze kwamen er al snel achter dat de molens het vele water dat moest worden weg gemalen te veel was. In 1809 en 1810 werden daarom twee extra molengangen gebouwd. Uiteindelijk was de polder in 1810 droog.

Eerste droge grond

Het duurde 6 jaar, vanaf de start in 1799 tot de eerste gronden in juni 1805 droog vielen. De grond van het droog gevallen gebied was nog niet te gebruiken. De arbeiders groeven sloten en legden wegen, bruggen en duikers aan. Het duurde nog 2 jaar voordat het nieuwe land verhuurd kon worden.

De drooggevallen percelen werden gelijk gemaakt, geslecht en zaaibaar gemaakt. Eerst werd het land ingezaaid met koolzaad (zie foto), omdat dit veel water uit de grond haalt en het droger en luchtiger maakt. Dat is goed voor landbouw. Daarna werden gerst, rogge en haver geteeld.

Via veilingen werden alle gronden – 174 kavels in Nieucoop en 115 in Sevenhoven – verkocht. De eerste veiling was op 27 maart 1809, de laatste in juni 1813. Na heel veel jaren van rietsnijders, vissers en veenmannen was de Nieucoopse Groote Poel vervangen door de Nieucoopse Droogmakerij. Het terrein van de boer.

Bron: Op de bodem van een binnenzee – 200 jaar Polder Nieuwkoop (2010)