In Vogelvlucht

Het gemeentewapen van Nieuwkoop.

Volgens een legende werd het dorp Nieuwkoop in het begin van de twaalfde eeuw gesticht door een groep zigeuners, die vanwege een gebroken wagenwiel niet verder konden reizen en besloten zich op deze plaats te vestigen.

Het gebroken rad komt terug in het gemeentewapen (zie foto hiernaast), maar in werkelijkheid is het dorp Nieuwkoop ontstaan als een gemeenschap van veenontginners, die de moerasachtige woestenij hier hebben omgevormd tot weiland en akkers.

Nieuwkoop heeft namelijk een heel lang verleden van vervenen. Niet alleen de turfbaggeraars, ook de riet- en ruigtsnijders, mosplukkers, broodjagers en vissers verdienen van oudsher hun brood ‘in de polder’.
op de foto hiernaast is het natvenen te zien

Ontginning en turfsteken

Water speelde een centrale rol in de vorming van de streek waartoe Nieuwkoop behoorde. In het land ontstonden achter de strandwallen, zoete binnenzeeën, waarin zich moerasvegetaties ontwikkelden. In deze uitgestrekte moerasgebieden ontstond op grote schaal veen. De meeste dorpen in het gebied zijn gesticht tussen 1000 en 1300 door de ontginning van het gebied. De graaf van Holland ging overeenkomsten – copen – aan met wie de ontginning verder zouden leiden. Deze tussenpersonen kregen het recht om het land door te ‘vercopen’ aan kolonisten. Vanaf het begin van de grote ontginning hadden de kavels vaste afmetingen. De cope-verkaveling is kenmerkend voor de streek en duidelijk terug te zien in het landschap. De naam Nieuwkoop (nieuwe cope) is hiervan direct afgeleid.

Turfsteken gebeurde op veel plekken in Nederland. Heel veel land is hierdoor verdwenen.

Vanaf de 13de eeuw begonnen de bewoners met akkerbouw en veeteelt. Na verloop van tijd droogde de veenlaag uit en brachten de akkers minder op. In de 16de eeuw merkten de bewoners dat de gedroogde veen een goede brandstof was. En brandstof was hard nodig in de snel groeiende steden. De hoge turfproductie was echter niet zonder gevaar. Steeds meer land verdween en er ontstonden diepe waterplassen, waaronder de nu bekende Nieuwkoopse Plassen. Dit veroorzaakte veel wateroverlast. Van de dorpen bleef niet veel meer over dan smalle stroken grond met huizen en wegen. In de 17de eeuw werd de waterhuishouding in het gebied sterk verbeterd door de bouw van molens en sluizen.

Vissen en rietsnijden

Toen de plassen zo diep waren geworden, dat turfsteken niet meer mogelijk was, zochten de ondernemende inwoners naar nieuwe bronnen van inkomsten: vissen en rietsnijden (zie foto).


De plassen waren na verloop van tijd zo groot en diep geworden, dat werd gevreesd voor een binnenzee tot aan Haarlem. Daarom werd besloten het gebied droog te leggen. In 1820 was de nieuwe polder droog genoeg en was de Nieuwkoopse en Zevenhovense polder een feit. Akkerbouw en veeteelt ontwikkelden zich weer en de welvaart kwam terug.  In 1958 is de laatste polder, de Noordse Buurt drooggemalen. De resterende plassen vormen inmiddels een belangrijk recreatiegebied. In de 20ste eeuw breidde Nieuwkoop zich flink uit. Sinds 1950 verdrievoudigde het aantal inwoners van de gemeente bijna.

Smederijen

Wat niet vergeten mag worden over de geschiedenis van Nieuwkoop is dat dit dorp eeuwenlang bekend stond om zijn smederijen. De eerste smederijen in Nieuwkoop dateren uit de 14de eeuw en bevonden zich aan huis. Steenkool als brandstof was niet voorhanden, noch ijzer (‘het geheim van de smid’), maar er was veel vraag naar smeedwerk vanuit Amsterdam, hét handelscentrum van Nederland én goed bereikbaar over water vanaf Nieuwkoop. In de begintijd werden vooral houwelen en uitrusting voor de visserij vervaardigd. Later werden dit ook hulpmiddelen voor de veenderij, de bouw en de landbouw. Ook is veel smeedwerk gemaakt voor de walvisvaarders.

Siem Verlooij, een telg uit de smederijfamilie Verlooij.

Economisch deden de smederijen het in de 18de en 19de eeuw het best met tweehonderd knechten aan de blaasbalg of de hamer aan het aambeeld.
Vervening zorgde aan het Noordeinde in Nieuwkoop dat veel huizen moesten worden afgebroken.
Vervolgens zette de industrialisering aan het begin van de 20ste eeuw het einde van het Nieuwkoopse smederijtijdperk in.