Turfwinning

Turf is hetzelfde als gedroogd veen. Je ziet het vaak als blokken zo groot als een straatsteen die bestaat uit plantenresten. Vroeger stookte men er de kachel mee. Turf was vanaf de 16de eeuw tot in de Tweede Wereldoorlog een van de belangrijkste brandstoffen. Het werd in huis gebruikt, maar ook in bedrijven.

Men ontdekte in de 16de eeuw dat je van veen turf kon maken. Vanuit heel Nederland was er heel veel vraag naar deze brandstof. Omdat er in de grond in en rond Nieuwkoop veel veen zat en de bewoners arm waren, startte men hier ook met het afgraven van veen. Dit zorgde voor heel veel werk.

Droog- en natvenen

In en rond Nieuwkoop gebeurde het afgraven van het veen vooral op de wijze van het ‘Natvenen’. Het veen was in deze streek namelijk vooral onder water te vinden. In andere delen van Nederland, vooral in het oosten en noorden van Nederland, heette het veen afgraven ‘Droogvenen’. Hier was het veen ook nat, maar het lag niet helemaal onder water. De arbeiders groeven hier greppels en waterwegen rond een groot stuk veengrond. Het water liep naar de lager gelegen greppels en waterwegen waardoor het hoger gelegen stuk veengrond indroogde. De akkers moesten 2 tot wel 10 jaar indrogen. Het verdere proces van droogvenen is hetzelfde als bij het natvenen, zie de verdere uitleg hieronder.

Vanaf boten wordt het veen uit het water geschept en op het land te drogen gelegd – het natvenen.

In Nieuwkoop werd vooral veengrond onder water vandaan gehaald. Daarom werd het veen hier weggebaggerd (zie baggerbeugel bij gereedschappen); het natvenen.

Maar in Nieuwkoop werd ook aan droogvenen gedaan. Een deel van de veengrond in Nieuwkoop stak boven het water uit. De arbeiders haalden de bovenste laag van de grond weg. Vervolgens staken ze de laag eronder weg.

Ze maakten de gestoken veengrond fijn met water. Dat werd een soort specie dat ze op het land legden. Zo maakten zij legakkers. Op het land kon het water eruit zakken. Steeds werd nieuwe bagger op de veenmassa – ‘staal’ genaamd – geschept tot deze ongeveer 30 centimeter dik was.

Treden

Met klomplaarzen – met daaronder plankjes – liepen de arbeiders heel wat keren over de veenmassa heen. Zo persten zij er nog meer water uit, dit noem je ‘treden’. Dit treden deden ze net zo lang tot de staal glad en vast genoeg was om er turf van te steken.

Het koppenkeren; de onderste turf komt boven, de bovenste turf onder, zodat de turf gelijkmatig droogt. (Foto: ANP)

Met een speciale hark met een mesje tekenden ze op de staal lijnen. Dit deden ze in de lengte en in de breedte. De turfsteker stak dan met een stikijzer precies op de lijnen, het turf werd ingestoken. Dan moest het turfveld – de staal – maandenlang drogen. Ten slotte werden de turven gestoken met een opschot of oplegger. De blokken / turfstukken werden opgestapeld om verder te drogen. Na een paar dagen moest het onderste turfstuk naar boven en de bovenste naar onderen. Zo kon alle turf drogen en droogde ook alles precies evenveel. Daarna werden de turfstukken nog hoger op elkaar gestapeld. Dat vormde de turfsteupel (je kent vast sporthal De Steupel in Nieuwkoop wel, nu weet je waar deze sporthal naar vernoemd is).

Een turfgraver maakt een ronde stapel van turfblokken.

De turfsteupel werd afgedekt met riet en graszoden die ze dicht maakten met modder. Dit maakte de steupel waterdicht, zodat de turf droog bewaard kon worden.

Omdat er zoveel turf werd gemaakt (afgegraven) verdween er steeds meer land. Van de dorpen bleef niet meer over dan smalle stroken grond met wat huizen en wegen.

Verdwenen dorp Schoot

Veel dorpen slonken door de turfwinning. Voor één dorp in die tijd liep het slechter af. Dat was Schoot, een ambacht (een soort klein dorp). In 1623 woonden er in Schoot 92 gezinnen. Tien van deze gezinnen waren arm, de andere gezinnen waren niet rijker of armer dan mensen in dorpen als Zevenhoven en Nieuwveen. Het dorp lag precies in het midden van het turfwinningsgebied. En het graven ging maar door en door. Het dorp kreeg steeds nattere voeten en hield bijna geen grond meer over. De huizen van Schoot stonden op kleine eilandjes. Daarom vertrokken veel mensen. In 1680 woonden er nog maar 34 gezinnen in Schoot. Arme gezinnen, waarvan acht gezinnen armenzorg kregen, omdat ze niet meer voldoende konden verdienen en dus bijna geen eten meer hadden. De bewoners die nog wel wat geld verdienden, deden dit met vissen en het snijden van riet. Ze moesten wel betalen voor het stukje land of het water waar ze dit deden, maar betaalden niet genoeg.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland kwam erachter dat niet voor alle grond waarvan gebruik gemaakt werd, betaald werd. Daarom kwam rentmeester Adriaen van der Laan een kijkje nemen in Schoot. Hij moest anderhalf uur varen om Schoot te bereiken. Zo groot was de plas door de turfwinning inmiddels geworden. In Schoot zag de rentmeester met eigen ogen hoe slecht de huisjes eraan toe waren. En hoe arm de inwoners waren. Als er toen was ingegrepen, had Schoot gered kunnen worden. Er had een dijkje of een damwand van hout, palen en takken gebouwd kunnen worden rond Schoot. Deze wand, die je beschoeiing noemt, had kunnen tegenhouden dat  er nog meer grond in het water zou glijden. Maar het Hoogheemraadschap vond het kleine ambacht niet belangrijk genoeg. De inwoners zelf hadden er geen geld voor. Steeds meer grond verdween onder water. In 1727 was Pieter Cornelisse Benschop de laatste inwoner van Schoot. Schoot was niet meer.

Wijze les

Een soortgelijke korenmolen als deze in Gouderak verdween
door de turfwinning in het water bij Zevenhoven.

Het verdwijnen van Schoot schudde de bewoners van de andere ambachten rond de Groote Poel* wakker. Zij wilden niet hetzelfde lot ondergaan.

*zo heette de grote waterplas tussen alle ambachten rond Nieuwkoop, die nu de Nieuwkoopse Plassen heten.

Als er een sterke wind uit het oosten kwam, stonden de erven van Aarlanderveen onder water. En als een sterke wind uit het westen kwam, stonden de bewoners van Zevenhoven en Nieuwveen met hun voeten in het water.

In 1733 verdween bijna de weg tussen Noorden en Zevenhoven én tussen Zevenhoven en Nieuwveen. Deze weg, de Heikade, was een soort dijk. Het water sloeg door de harde wind zo hard tegen de palen van de beschoeiing dat deze los raakten. De grond die de wand tegenhield, spoelde weg. Snel werden zes schepen vol puin in het water tegen de oever gelegd.

Maar het gevaar was niet geweken. Tussen 1735 en 1745 werd veel geld betaald om de dijk te verstevigen. Helaas waren veel gebouwen in Zevenhoven en Nieuwveen toen al ingestort. En de dijk kon niet voorkomen dat er nog meermalen een rijweg overstroomde. De rijweg kon steeds weer hersteld worden, maar kon niet voorkomen dat meer grond verdween.

Rond 1720 verdween de korenmolen van Zevenhoven in het water. Halverwege de 18de eeuw gebeurde bij het buurtschap Uiterbuurt hetzelfde als met Schoot. Het kleine dorpje verdween onder water.

De droogmaking van de Groote Poel moest niet meer te lang op zich laten wachten. Gelukkig werden voor het droog maken in die tijd de plannen gemaakt. Daarover lees je meer in Droge Voeten.

Werktuig

Voor het turfsteken werden diverse speciale gereedschappen en werktuig gebruikt.

Met een steekgraaf of zodesteker staken de arbeiders de bovenste laag van de grond – waar riet of gras groeide – weg.

Met de baggerbeugel konden ze het veen uit de plas in de schuit trekken.

Met de hoosschop wierpen ze het opgebaggerde veen uit de schuit op het land.

De slikhaak werd gebruikt om het veen goed te mengen met de zwarte grond.

Treeplankjes werden onder de klomplaarzen gebonden om het veen te ‘treden’, vast te trappen.

De treekrukken hielpen de veenwerker om tijdens het ‘treden’ niet om te vallen. De veenmassa was namelijk vrij zacht.

De krabber of krasser werd over het vastgetrapte veen getrokken om de lijnen aan te geven waarlangs de turf gestoken moest worden.

Het stikijzer was het werktuig waarmee het veen in gelijke stukken gestoken werd, in het model van de turf.

De turfhandschoentjes gebruikten ze als de turven op de legakker werden losgehaald en gestapeld werden als turfsteupel om verder te drogen. De turfhandschoentjes beschermden tegen verwondingen door dunne schelpjes die in de veengrond zat.